submenu

Home


doneerbutton

ANBI

TwitterGoogle BookmarksLinkedInRSS Feed

Nieuwsbrief

Bent u al geabonneerd op de Vajra nieuwsbrief?
aanmelden nieuwsbrief

 

content

Carla Tromp, zomer 2000



Een reisverslag


"Het bruto nationaal geluk is belangrijker dan het bruto nationaal product"
Zo luidt de lijfspreuk van de koning van het minuscule land Bhutan, ingeklemd tussen India en China. Maar dat geldt kennelijk alleen voor een (etnische) selectie van zijn onderdanen. In elk geval niet voor de honderdduizend inwoners die de koning sinds 1990 stelselmatig zijn land heeft uitgewerkt.

Honderdduizend van de zeshonderdduizend inwoners die het in reisfolders als 'verborgen paradijs' aangeprezen land in de Himalaya hebben moeten verlaten. Honderdduizend vluchtelingen die al tien jaar in bamboehutten werkeloos, doelloos, uitzichtloos in het zuidoosten van buurland Nepal verblijven. Honderdduizend mensen die maar één wens hebben: terug te keren naar de rest van hun familie, hun huizen, en dorpen, hun land, hun leven. Volgens psycholoog Mark van Ommeren, die onlangs promoveerde op de gevolgen van martelingen, waaraan veel Bhutanese vluchtelingen zijn blootgesteld, 'zijn het honderdduizend mensen die in leven gehouden worden, maar niet echt leven. Honderdduizend mensenlevens zijn stilgelegd.' Op last van de koning, die nationaal geluk zo belangrijk vindt.

Natuurlijk, ook hier tref je de enkeling, de strijdlustige. Mensenrechtenactivist Ratan Gazmere, die regeringen en organisaties afreist om de zaak van zijn volk te bepleiten, is een van de honderdduizend. Hij zegt: 'We houden van ons land. We zijn simpele mensen. Vreedzame mensen. Dat is mooi, maar ook jammer. Als híer een bloedbad zou plaatsvinden, zou de wereld wel luisteren.'

Hij klapt zijn laptop (de eerste die we in het straatarme Nepal te zien krijgen) open: 'De koning zegt dat wij geen Bhutanezen zijn. Dat wij eigenlijk uit Nepal afkomstig zijn.' Scherm na scherm rolt voorbij. Officiële stukken. Identiteitsbewijzen. Betalingsbewijzen van huur, van belastingen. Eigendomsbewijzen van stukken Bhutanese grond. Trouwaktes. Compleet met de officiële, Bhutanese stempels en handtekeningen. Data. Jaartallen. Waar documenten ontbreken ­ in de haast van de vlucht vergeten, in goed vertrouwen ingeleverd of afgenomen door de soldaten van de koning ­, zijn er verklaringen van dorpsgenoten dat de familie X al generaties in dat en dat huis woonde en een boerenbedrijf had. Dat mevrouw Y in dat en dat dorp woonde en vroedvrouw was en familie van A of B is. De helft van de kampbewoners is door Gazmere gedocumenteerd en nog is Bhutan niet overtuigd. 'Ze hebben ons onze identiteit afgenomen,' zegt hij, 'dat is het ergste.'

Het bizarre is dat de vluchtelingen in hun kampen het beter hebben dan de autochtone Nepalezen in de dorpen eromheen. Het Hoge Commissariaat voor de Vluchtelingen en het Wereldvoedselprogramma bieden hulp. Maar ook de Lutherse Wereldfederatie en de Nepalese regering, plus particuliere organisaties, zoals het Center for Victims for Torture en Stichting Vajra uit Nederland. Er is gezondheidszorg, voedsel en goed water en er zijn scholen. Vajra bouwt ter plaatse zonneovens, speciaal geconstrueerde kisten waarin op zonnewarmte kan worden gekookt. Naast de functionarissen die door de Nepalese overheid worden aangesteld, is er een democratische kampleiding: vertegenwoordigers worden jaarlijks gekozen, taken worden onder hen verdeeld. De omstandigheden waaronder de vluchtelingen moeten leven, zijn menselijk. Hun positie is onmenselijk.

Het kamp Timai in Zuidoost-Nepal. Tienduizend vluchtelingen. Trillende hitte. Hoge, schrale naaldbomen, zanderig gras. Een brede, droge rivierbedding op de achtergrond. Geen uniformen. Geen hoge hekken. Lange rijen hutten. Op elke zes hutten één latrine. Indrawati Rai heeft de landen van haar rotan hut met kranten beplakt. Haar dak heeft ze met blauw plastic afgedekt. Brede, houten banken dienen als bed. Een rotan kastje. De kleren van het gezin hangen aan haakjes ­ minder dan ik voor mij alleen in mijn rugzak heb. Anderhalf jaar lang heeft Indrawati tussen India en Bhutan gezworven. Alleen met haar kinderen, want haar man was al eerder vertrokken. Ze had geen recht om in India te zijn. Ze had geen recht om in Bhutan te zijn. Geen voedsel. Geen dak boven haar hoofd. 'Ik had geen hoop te overleven,' zegt ze, 'en ik was bang.' In Bhutan leefde dit boerengezin geïsoleerd. In het kamp heeft ze veel geleerd. Lezen en schrijven, bijvoorbeeld. Vergaderen. Ze is secretaris van het Forum van Vluchtelingenvrouwen. Ze is iemand anders geworden. Maar ze wil terug naar Bhutan. Terug naar haar eigen dorp.

'Ik voel me hier een bedelaar,' zegt Rajman Gurung, die ook in het kamp Timai woont. 'We hebben het leven. Maar we hebben geen enkel recht.' Hij zit samen met zijn zeven broers en vier zussen in het kamp. Al tien jaar lang. Eén broer woont nog in Bhutan. Daar handelde Gurung in sinaasappels. Hij is secretaris van het kampbestuur, treedt op als maatschappelijk werker. Ziet eruit als 60. Blijkt 38.

Bhutan is een koninkrijk zonder grondwet. Het land kent drie grote en tal van kleine etnische groeperingen. De twee boeddhistische groeperingen vormen samen de Drukpa's, de dominante politieke groep waartoe de koning behoort. De derde bestaat uit de Lotsjampa's, die oorspronkelijk uit Nepal komen, in het zuiden wonen en voornamelijk hindoe zijn. De Drukpa's pretenderen de oorspronkelijke bewoners van Bhutan te zijn, maar historisch gezien bestaat de 'echte Bhutanees' niet, omdat elke groepering ooit wel ergens vandaan is gekomen. De Drukpa's kwamen twee eeuwen geleden uit Tibet.

Onder leiding van de vorige koning werden in de jaren vijftig voorzichtig moderniseringen toegelaten. Bhutanezen mochten voor studie naar het buitenland. Iedereen die vóór 1958 in het land woonde, kreeg de Bhutanese nationaliteit, ongeacht religie of afkomst. De huidige koning draaide al deze maatregelen in 1985 terug.

Nederland geeft Ÿ 10 miljoen ontwikkelingssteun per jaar. Ook India en de Europese Unie steunen het land, met in totaal zo'n Ÿ 190 miljoen. 'Bhutan laat hulp toe op voorwaarden die het land zelf stelt,' zo heet het in een blad van de ontwikkelingsorganisatie SNV. Bhutan geeft de voorkeur aan kleine donorlanden, zodat de bemoeienissen van buitenaf beperkt blijven. Deze mededeling krijgt een navrante klank als men weet dat de bevolking analfabeet en daarmee onmondig wordt gehouden. Dat de koning in 1985 decreteerde dat elke inwoner de traditionele Drukpa-kleding moest dragen, ook in de zuidelijke laagvlakte, waar het veel heter is dan in de noordelijke bergen. Dat elke inwoner de Drukpa-taal moet spreken. Dat elke inwoner het boeddhisme van de koning moet omhelzen en het eigen geloof moet afzweren. En dit alles in het kader van de politiek 'Eén natie, één volk', in dit land van culturele diversiteit. Buitenlandse invloeden bedreigden de Bhutanese cultuur, vonden de koning en zijn medestanders ­ en hun absolute heerschappij natuurlijk. Dus werden in 1985 alle economische ontwikkelingsprogramma's stopgezet, werden de grenzen voor buitenlanders gesloten, televisieantennes weggehaald en de Zuid-Bhutanezen, de snelgroeiende groep van de Lotsjampa's, als een gevaar voor de monarchie bestempeld.

'De koning wil het land moderniseren op een manier die aansluit bij de Bhutanese cultuur,' vervolgt SNV. Dat dit inhoudt dat er pas sinds twee jaar weer televisie mag worden gekeken, dat landbouwmachines het land niet binnenkomen en Bhutanezen de zware landarbeid met lichaamskracht moeten verrichten (de gemiddelde levensverwachting is 49 jaar), ook dat staat nergens. Dat de koning met het verdrijven van honderdduizenden Lotsjampa's een etnische zuivering heeft toegepast, dát staat al helemaal nergens.

De eerste Lotsjampa's vestigden zich generaties geleden in Bhutan, op zoek naar werk en grond. Eind jaren zestig importeerde de Bhutanese regering duizenden goedkope Lotsjampa-gastarbeiders uit Nepal om hen wegen, dammen, ziekenhuizen en scholen te laten bouwen. De belastingverhogingen die daarvoor nodig waren, leidden tot onrust, waarvan de Lotsjampa's zich de tolk maakten. Bij de hervormingen in 1985 bepaalde de koning dat alleen de Lotsjampa's die in 1958 bij het Ministry of Home Affairs ingeschreven stonden, het Bhutanese staatsburgerschap kregen. Maar de koning vergiste zich: in 1958 bestond het hele Ministry of Home Affairs nog niet.

De Koninklijke Adviseur voor Zuid-Bhutan, Tek Nath Rizal, die protesteerde tegen dit koninklijke ingrijpen, werd op 6 november 1989 gevangengezet, en met hem vele andere leiders van de Bhutanese volkspartij. Een petitie waarin werd gevraagd om versoepeling van de regels, ingediend in augustus 1990, leverde niets op. De demonstraties die vervolgens eind 1990 werden georganiseerd, werden door het leger neergeslagen: 'Arrestaties, martelingen, verkrachtingen, brandstichting, plundering, confiscatie van persoonsbewijzen. Er werd geslagen met bamboestokken en houten stokken, ijzeren staven, elektriciteitsdraad, riemen, zwepen, geweerkolven, bajonetten, boomwortels en doornige takken. Mensen werden blootgesteld aan extreme koude, opsluiting in te nauwe ruimtes en ophanging aan de voeten. Uithongering door onvoldoende en vervuild water en voedsel, geen wc's, geen adequate medische zorg, isolatie, blinddoeken,' meldt Mark van Ommeren in zijn proefschrift. Het CVICT, waarvoor Van Ommeren werkt, interviewde van hut tot hut in de vluchtelingenkampen en had eind 1986 2500 gevallen van marteling gedocumenteerd. Marteling op last van de koning, die het vreedzame boeddhisme voorstaat in het paradijselijke, ongerepte Bhutan. Onder druk van onder meer Amnesty International werd de Koninklijke Adviseur voor Zuid-Bhutan tien jaar later, december 1999, vrijgelaten.

Iedereen die protesteerde, werd tot 'antinationaal' en daarmee vogelvrij verklaard. Ook 'elk familielid van elke antinationaal' werd vervolgens vogelvrij verklaard. Vooraanstaande Zuid-Bhutanezen en oude mensen werden opgepakt, verhoord en gemarteld, totdat ze de Vrijwillige Immigratieverklaring ondertekenden, waarna zij een schamele som voor hun bezittingen kregen en het land werden uitgezet. Dit veroorzaakte zo'n angst, dat veel Bhutanezen hun spullen pakten en over de grens vluchtten. 'Vrijwillige landverlating' heet dit in de Bhutanese visie.

Buiten school klinkt gekwetter op als uit een volière. De kinderen in het kamp hebben ogen als spiegels. Een glanzende huid. Hele, witte gebitten. Zweet parelt onder gezond haar. Vergeleken met de kinderen uit de dorpen rond de kampen zijn ze er goed aan toe. Dat geeft scheve ogen. In de dorpen is vaak geen water. Kinderen bedelen er. Ze hebben huidaandoeningen, ze hoesten, zijn smerig, lopen in lompen. 'Te weinig vitaminen,' zegt een jonge vrouwelijke arts. 'Ze blijven te klein. Klein is niet erg, maar hun hersenen ontwikkelen zich ook niet en dat is wel erg.' 'Ik gooide een doosje met oud papier weg,' vertelde een Nederlandse vrijwilliger die in een dorpsweeshuis werkt. 'Het jongetje huilde zijn ogen uit zijn hoofd. Die doos was alles wat hij in zijn leven had verzameld. Alles wat hij had.' Want Nepal zelf is een straatarm en overbevolkt land.

De Lutherse Wereldfederatie (LWF) is dan ook wijselijk met hulp aan de dorpen rondom de kampen begonnen: Refugee Affected Areas Rehabilitation Programs. Daar worden gezondheidsgebouwtjes opgericht. Waterpompen worden aangelegd. Irrigatie wordt bedreven. Bomen worden geplant voor stookhout. Tulasi, directeur van de LWF, wil daarmee conflicten tussen vluchtelingen en de lokale bevolking voorkomen. Hij heeft zelf een jaar nodig gehad om te begrijpen wat het betekent om vluchteling te zijn. 'Ik dacht in het begin: doe wat, in godsnaam, doe wat! Wat voor bijdrage leveren jullie? Maar nu ik hier tweeënhalf jaar zit, kijk ik er anders tegenaan. Hoezo vrijwillige landverlating? Niemand tekent toch een papier waarop staat dat hij vrijwillig zijn land verlaat, met achterlating van al zijn bezittingen? Onzin! Ik zie hoe de frustratie groeit. Die mensen hebben geen enkele toekomst. Mannen werkten voorheen nogal eens illegaal in de bouw of op het land, maar de lokale autoriteiten willen de werkgelegenheid voor de lokale bevolking behouden. Dus wordt er het laatste jaar streng opgetreden. Kinderen? Ze kunnen tot hun veertiende naar school, maar dan is het afgelopen. Geen verdere opleiding. Geen baan.'

Sinds 1993 vinden er bilaterale besprekingen plaats tussen Nepal en Bhutan om het vluchtelingenprobleem op te lossen. Bespreking nummer acht vindt inmiddels op ministerieel niveau plaats. Veel vooruitgang is er niet te bespeuren. Bhutan wil hooguit een selectie uit de honderdduizenden mensen terug. Geopperd is, tot woede van de vluchtelingen, onder andere door de UNHCR, dat een derde deel van hen in India, een derde in Nepal en een derde in Bhutan wordt gehuisvest. Ook vertegenwoordigers van het Europees Parlement hebben zich in deze richting uitgelaten. Maar dat willen de vluchtelingen niet. Bovendien, welke Salomon bepaalt wie er in welk land moet wonen? India, als machtigste natie in dit deel van de wereld, zou een sleutelrol kunnen spelen. Maar India is niet geïnteresseerd of wenst tenminste zijn vingers niet te branden. De protestmarsen naar Bhutan die de vluchtelingen in de loop der jaren vanuit Nepal hebben geprobeerd te organiseren, zijn door India verhinderd.

'Vrijwilliger! Vrijwilliger!' roept de kampsupervisor, een Nepalese overheidsdienaar. De vrijwilliger blijkt ons water te moeten brengen. We zitten op betonnen bankjes onder een parasol bij de ingang van kamp Beldangi. De supervisor is in niets van de bewoners te onderscheiden. Net zo armzalig. Geen uniform. Geen pet. 'Het grootste probleem is controle,' zegt hij. 'Ze kunnen overal uit en dat mag niet.' Maar wel moeten ze naartoe? Werken mag niet. Er is trouwens geen werk. En hier is onderdak en voedsel. Een enkeling heeft in een hardboard kastje op pootjes een winkel ingericht. Zes rollen biscuits, wierook en wat kaarsen. De winkelier zelf zit op de bodem van de kast. En ander heeft een naaimachine en maakt kleren op bestelling: een bloesje voor vijftig roepies, een dagsalaris. Weer anderen zitten in de droge rivierbedding onder een afdakje van wat bladeren tegen de verzengende zon, en slaan keien tot grind. Dat grind wordt vervolgens in manden geladen, die op vrouwenruggen worden weggetorst, de draagband rond hun voorhoofd gespannen. Ze zeulen de manden tegen de hellingen op. Ze dragen plastic teenslippers aan hun voeten.

De dagen ervoor is mevrouw Ogata, de Hoge Commissaris voor de Vluchtelingen, in kamp Beldangi op bezoek geweest. Ze schijnt te hebben gezegd dat de Bhutanese regering bereid is de vluchtelingen weer in het land toe te laten. Verwarring alom. Heeft ze dat echt gezegd? Is het waar? Of vergist ze zich? Heeft ze zich versproken? Maar dat kan toch niet, ze is toch een doorgewinterde diplomaat?

De jeep waarmee directeur Tulasi van de Lutherse Wereldfederatie ons naar dit kamp brengt, is groot, wit én geschonken door de UNHCR, zoals er in grote letters op staat. We worden ontvangen als afgevaardigden van mevrouw Ogata zelf. De complete kampbevolking stroomt toe en groet ons met het traditionele gebaar, de handen gevouwen voor de borst. Hun glimlach is als een geschenk. We worden bekleed met een autoriteit die we niet hebben en ook niet willen hebben. Hoop is de verklaring. Publiciteit. Aandacht. Dat de wereld zal weten. Daar staan we als enorme Hollandsen, te groot, te wit, te rood, te blond, te lelijk en te duur met dunne flodderjurken en sandalen uit de survivalwinkel. Volkomen misplaatst.

Maar stel dat het conflict ooit wordt opgelost. Stel dat Bhutan zijn grenzen opent en de vluchtelingen terug kunnen. Wat moet er dan gebeuren met de Bhutanezen die inmiddels door de Bhutanese herhuisvestingspolitiek in de huizen van de vluchtelingen wonen? Hún land bebouwen? Hún winkels drijven? Wat gebeurt er, aan de andere kant, met de honderdduizend vluchtelingen die tien jaar van hun leven zijn stilgezet, maar ondertussen hebben leren lezen, schrijven, vergaderen, die mondig zijn geworden? Welk gevaar zal de koning inmiddels in hen zien? Hoe langer het duurt, hoe onwaarschijnlijker het is dat het probleem ooit zal worden opgelost. 'We zullen ons aanpassen,' zegt Indrawati Rai. 'Als we eenmaal terug zijn, gaan we gewoon weer aan het werk.' 'Er moet iets gebeuren,' zegt Mark van Ommeren. 'De impasse moet worden doorbroken. De UNHCR doet het niet goed genoeg. Want het lost niets op.'