Ramkaji Paudel, voorzitter Vajra Nepal, staat hier op de plek waar hij was toen de aardbeving kwam.

‘Voor mijn werk moet ik vaak in het district Sindhupalchowk zijn. Op die noodlottige dag had ik een werkoverleg gepland in het Nepalees-Chinese grensplaatsje Liping, bij een waterkrachtcentrale in aanbouw. In alle vroegte reed Dipak, mijn chauffeur en vriend, mij de bergen in, samen met mijn zakenpartners Ramesh en Dinesh. We lieten de wagen vlak bij de grensbrug achter. We liepen het bergpad op naar de centrale. Dipak ging alvast naar een eethuisje om voor ons een maaltijd te regelen. Na het overleg gingen we terug naar Liping, waar we om halftwaalf aan tafel schoven.
De maaltijd was nog niet afgelopen toen alles opeens heftig begon te beven. Rotsblokken denderden omlaag van de bergwand, stofwolken hulden alles in grijs en overal klonk gehuil en hulpgeroep. We renden het eethuisje uit en stoven in paniek de straat op. Ik werd door een flinke kei aan mijn enkel geraakt. Dipak rende voor ons uit en verdween algauw uit zicht. Vallend gesteente maakte het wegdek onherkenbaar, waardoor we even gedesoriënteerd raakten en niet wisten waarheen te rennen. De grensbrug over, China in? Of terug, Sindhupalchowk in? De brug was door rotsblokken bedolven en vertoonde fikse scheuren, dus de keuze was snel gemaakt.
Zo ver mogelijk weg van de afkalvende bergwand wachtten we urenlang het verloop van de aardbeving af. De naschokken waren heftig en zouden nog dagenlang aanhouden. Het telefoonnetwerk was direct overbelast, maar na ettelijke belpogingen kreeg ik contact met Kathmandu en hoorde ik tot mijn opluchting dat mijn vrouw in veiligheid was. Inmiddels gingen we zuinig om met de stroom in onze telefoons, die voorlopig niet meer aan een oplader zouden hangen. Maar Dipak, nu ergens alleen in Liping, kon ik maar niet bereiken… Na een eindje lopen belandden we in een inderhaast opgebouwd tentenkampje, midden in de smalle vallei en daardoor betrekkelijk veilig. Ik kwam er een oude bekende tegen, die voor ieder van ons een jas regelde. Die zou ons in de komende nacht warm houden.
Pas enkele uren later wist Dipak ons gelukkig met zijn gsm te bereiken. Hij vertelde dat een rotsblok zijn bovenbeen had verwond, waardoor hij amper kon lopen. We vonden hem na enig zoeken terug in het gedrang en hielpen hem naar het kampement. Inmiddels regende het. Met vele anderen vonden we onderdak in een tent, totdat daar halverwege de nacht een hoogzwangere vrouw barensweeën kreeg en iedereen besloot de ruimte aan haar af te staan zodat ze wat privacy had voor de bevalling.
De volgende morgen was het een komen en gaan van reddingshelikopters. Na enkele uren was er eindelijk ook plaats voor ons en werden we, samen met gewonden en kinderen, naar de Kathmanduvallei gevlogen. Vanuit de lucht konden we zien hoe overal dorpen in puin lagen. Slechts hier en daar was een ongeschonden gebouw te zien – zoals de Vajra Academy, waar we pal langs vlogen.
Na aankomst in de hoofdstad haastten we ons naar de medische faculteit voor een röntgenfoto van het dijbeen van Dipak. Tientallen gewonden wachtten daar al urenlang vóór ons. Vlak voordat Dipak aan de beurt was, joeg een fikse naschok het personeel, patiënten en bezoekers allemaal naar buiten. De arts die ons in de openlucht hielp, kon weinig meer doen dan Dipak wat pijnstillers geven, waarna we versuft naar mijn huis reden. Het stond er nog, al lag de tuinmuur in puin. Het heeft twee jaar geduurd voordat het been van Dipak enigszins hersteld was.
Pas in de dagen na de aarbeving kwam ik er pas achter hoeveel dierbaren ik door deze natuurramp verloren heb en dat het dorp waarin ik ben opgegroeid goeddeels van de kaart is gevaagd. Maar vóór alles besefte ik dat ik op die dag ternauwernood aan de dood ben ontsnapt.’